Lees meer

Meld u aan voor de nieuwsbrief
Aanmelden nieuwsbrief
Neem contact met ons op
Contact

In 2020 heeft onze overheid verschillende maatregelen genomen om de last te verlichten van ondernemingen die getroffen worden door de coronamaatregelen. Ook met de steunmaatregelen is het voor sommige ondernemingen lastig om het hoofd boven water te houden. Daarom is de overheid met de tijdelijke voorziening betalingsuitstel COVID-19 gekomen. De vraag is nu natuurlijk wat dit precies voor de schuldeiser en schuldenaar inhoudt.

Doel van de aanhouding

De onderneming waartegen een faillissementsverzoek is ingediend, heeft de mogelijkheid om de rechtbank te vragen om de behandeling van het faillissementsverzoek aan te houden. Het doel van deze regeling is om te zorgen dat ondernemers onnodig failliet gaan en zij na de versoepeling van de maatregelen de kans krijgen om hun bedrijf opnieuw op te starten.

Waar de rechter naar kijkt

Als de rechter een dergelijk verzoek ontvangt van een ondernemer die geen middelen meer heeft om vorderingen te voldoen, dient deze een aantal voorwaarden te bekijken. De rechter zal bekijken of de onderneming in liquiditeitsproblemen is gekomen door het coronavirus of de maatregelen. Daarnaast dient de schuldenaar te bewijzen dat er sprake is geweest van een omzetverlies van ten minste twintig procent ten opzichte van de gemiddelde omzet in de drie maanden voorafgaand aan 15 maart 2020.

De rechter geeft dus antwoord op de vraag of de onderneming “gezond” zou zijn als het coronavirus niet onder ons was of als er geen maatregelen zouden zijn. Het is immers niet de bedoeling dat er van deze regeling misbruik wordt gemaakt, door ondernemingen die voor het coronavirus (of voor de maatregelen) er al slecht voor stonden. Van de ondernemingen die wel middelen hebben om vorderingen te voldoen, wordt verwacht dat zij blijven betalen.

Ook zal de rechter kijken of het bedrijf van de ondernemer verdiencapaciteit en toekomstperspectief heeft. Bovendien dient de rechter een afweging te maken tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeiser(s). Het moet natuurlijk ook niet zo zijn dat een schuldeiser failliet gaat, omdat aan een schuldenaar uitstel is verleend.

Tijdens de aanhouding

De aanhouding kan maximaal acht weken duren en kan onder voorwaarden twee keer verlengd worden met telkens ten hoogste twee maanden. Overigens geldt de aanhouding slechts tegenover de aanvrager van het faillissement en dan alleen over de vorderingen die voor de aanhouding opeisbaar waren. Zolang het faillissement wordt aangehouden, kan de schuldenaar niet gedwongen worden tot betaling van de al opeisbare vorderingen. Als een schuldenaar nieuwe verplichtingen aangaat of er een nieuwe betaaltermijn vervalt bij een lopende overeenkomst (denk aan een huurovereenkomst), dan moet hij die kunnen voldoen.

Extra voorzieningen

Aangezien de aanhouding niet altijd voldoende is, zijn er nog meer voorzieningen. Zo kunnen verbintenissen tijdens de aanhouding niet gewijzigd, opgeschort of beëindigd worden. Ook kan op verzoek van de schuldenaar bepaald worden dat de schuldeiser zonder machtiging van de rechtbank geen verhaalsrechten op goederen kan uitoefenen. Mocht een schuldeiser over zijn gegaan tot beslaglegging of executie, dan kan de schuldenaar de voorzieningenrechter vragen om de executie te schorsen of het beslag op te heffen.

In de praktijk

Aan uitspraken van rechters is te zien dat zij niet zomaar een faillissement aanhouden. Zo verzocht een werkneemster het faillissement van haar werkgeefster. De werkneemster had namelijk nog recht op een transitievergoeding die zij niet ontving. De werkgeefster verzocht de rechter om aanhouding van het faillissement. De rechter gaat echter niet mee in het verzoek tot aanhouding, omdat de werkgeefster haar verplichtingen al vóór 15 maart 2020 niet voldeed. Daarnaast was niet duidelijk of de vooruitzichten van de werkgeefster na verloop van de aanhouding beter zouden zijn. Overigens gaf de rechter aan, dat de werkneemster door de aanhouding in haar belangen geschaad zou worden. De werkneemster krijgt geen inkomen meer en zonder het uitspreken van het faillissement zou niet duidelijk zijn wanneer zij weer een inkomen zou krijgen.

In een andere situatie wijst de rechter het verzoek af, omdat de verweerder (die het verzoek tot aanhouding heeft ingediend) geen omzetgegevens over de drie maanden voorafgaand aan 15 maart 2020 heeft laten zien. Bovendien heeft verweerder in 2020 ten opzichte van 2019 veel nieuw personeel aangenomen. Hierdoor is de rechter van mening dat de slechte financiële situatie van verweerder aan hemzelf te wijten is.

De rechtbank Rotterdam heeft een verzoek tot aanhouding van een verweerder toegewezen. In dit geval was het juist duidelijk dat verweerder voor 15 maart 2020 voldoende liquide middelen had. De vordering van verzoekster werd onbetaald gelaten wegens een geschil over leveringen en het retourneren hiervan. Uit stukken bleek bovendien dat de omzet met meer dan twintig procent is gedaald sinds het coronavirus onder ons is.

Heeft u aan de hand van deze informatie nog vragen over betalingsuitstel bij een faillissement? Dan kunt u uiteraard contact met ons opnemen.

Bronnen:
ECLI:NL:RBROT:2021:69
ECLI:NL:RBROT:2021:823
ECLI:NL:RBROT:2021:1087

Auteur: Amber Schut

Vraag vrijblijvend een offerte aan

    Neem contact op

    Liever direct contact opnemen?